Op deze pagina vindt u een verhaal geschreven door Marijke Vaes. Verder vindt u op deze site informatie over welke verhalen Nico de Verhalenman vertelt en over Stichting Verhalenboot.
Een stoffig herfstverhaal
‘Loes, is je kamer al opgeruimd?’ De moeder van Loes staat beneden aan de trap en ze roept naar boven. Ze krijgt geen antwoord. Dat is ook logisch, want de deur van de slaapkamer van Loes zit potdicht. Bovendien zit Loes achter haar laptop en heeft ze oordopjes in. Boos stampt moeder de trap op. Aan de klink van de slaapkamerdeur hangt een deurhanger waarop staat: ‘Verboden toegang. Werk in uitvoering!’ Moeder wordt nog bozer. ‘Werk in uitvoering, dat zal wel’, moppert ze hardop.
Moeder stormt de kamer binnen. Loes kijkt boos, maar ook een beetje verschrikt op.
‘Mam, je weet toch dat ik niet gestoord wil worden als ik huiswerk maak. Ik heb morgenvroeg een hartstikke belangrijk proefwerk hoor. Als ik een nul krijg, is het jouw schuld.’
Net op dat moment doet de computer van Loes ‘plong, plong.’ Op het beeldscherm verschijnt een bericht van Claire, de beste vriendin van Loes.
‘Hé Loes. Ik wacht nu al drie minuten op antwoord. Welke jurk trek jij vrijdag aan naar het feest? De zwarte of de blauwe? Loes, waar ben je? We waren net zo lekker aan het chatten.’
Moeder wordt witheet van woede.
‘Huiswerk maken? Belangrijk proefwerk? Volgens mij hou je me voor de gek, jongedame’.
‘Sorry, mam. Het is niet dat ik niet wil opruimen, maar is het wel nodig?’
‘Nou, kijk dan maar eens in die hoek. Dat megagrote spinnenweb is zo stoffig, daar wil zelfs geen spin meer in wonen. Zeker geen spin met stofallergie, ha, ha.’
Loes vindt de grapjes van haar moeder flauw en ze kan er nu echt niet om lachen.
‘Ja, maar mam… dat spinnenweb moet blijven hangen tot Halloween. Dan hebben we een griezelfeest en dat kan echt niet in een spinnenwebloze kamer.’
‘Jij sputtert maar, jongedame. Ik trap er niet in. Als je griezelversieringen nodig hebt, dan koop je die maar in de feestwinkel. Dat stoffige web verdwijnt, net als alle andere rotzooi in jouw kamer. Einde discussie!’
Moeder vertrekt en Loes blijft mokkend achter.
In een hoek van de kamer van Loes zit Simon de huisspin in zijn grote stoffige spinnenweb. Simon woont al sinds zijn geboorte in het kamertje van Loes en hij heeft het er helemaal naar zijn zin. Dat komt vooral doordat hij hier met rust gelaten wordt. Niemand veegt zijn spinnenweb weg en hij hoeft dus niet steeds een nieuw web te spinnen om zijn prooi te vangen. Hij lapt zijn web gewoon een beetje op als het nodig is. Simon vindt het ook fijn dat het er zo rommelig is. Zo kan hij er ongezien rondlopen. En dat is wel prettig, want sommige mensen zijn niet zo blij als ze een spin zien. Simon begrijpt niet waarom, want spinnen doen toch geen vlieg kwaad? Alhoewel..?
Loes zit nog steeds te balen op haar bed. Ze heeft helemaal geen zin om aan die afschuwelijke opruimklus te beginnen. Ze kijkt op de klok. Oeps, het is al half zes! Om zes uur gaan ze eten en daarna verwacht Claire haar weer online. Snel pakt Loes de rondslingerende kleren van de vloer en onder haar bed vandaan en propt alles in de kast. Als de deur van de kast niet dichtgaat, geeft ze hem met haar billen een duwtje en draait dan snel de sleutel om. Zo, die zit dicht. Volgende week is het herfstvakantie. Dan heeft ze meer tijd en kan ze de kleren sorteren en de vieze spullen in de was gooien. Op haar bureau ligt een enorme stapel oude proefwerken en snoeppapiertjes. Daar maakt ze grote proppen van en gooit die met een sierlijke boog in de prullenbak. Nu alleen nog stofzuigen en klaar is Kees.
Simon ziet vanuit zijn web hoe Loes door de kamer raast. Hij snapt echt niet waar Loes mee bezig is. Voor hij in de gaten heeft wat er gebeurt, komt er een stofzuigerslang dreigend zijn kant uit. Het grote stoffige spinnenweb staat op het punt om verslonden te worden door de gulzige stofzuigermond. Simon vlucht tijd. De lange draden van het web sputteren nog even tegen, maar dan verdwijnt Simons harige huis in de stofzuiger. Loes haar kamer is schoon en Simon is dakloos. Bedroefd kijkt hij naar de kale hoek. Maar tijd om te treuren heeft hij niet, want de stofzuiger duikt onder het bed en … Simon verdwijnt in het gapende gat.
‘Mijn oordopjes! Help, ik heb mijn oordopjes opgezogen!’ Loes is helemaal in paniek. Ze trekt de stofzuigerzak uit de stofzuiger en knipt dan met een schaar de zak open. De lange kabels zitten verweven tussen het opgezogen stof. Als Loes de oordopjes eruit haalt, dwarrelt al het stof weer over de vloer. Simon, die ook in de stofzuigerzak zit, ziet zijn kans en ontsnapt.
‘Getver, een spin!’, gilt Loes en ze rent meteen weg om een vliegenmepper te halen waarmee ze dat enge beest kan pletten. Simon kijkt om zich heen. Waar kan hij zich nu nog verstoppen? Hij ziet dat het raam een klein stukje open staat. Simon is nog nooit buiten geweest, maar hij weet dat dit de enige manier is om te ontsnappen aan die moordzuchtige Loes. Net op het moment dat Loes, gewapend met de vliegenmepper, haar kamer komt binnensluipen, glipt Simon het raam uit.
‘Wow!’ Als Simon buiten komt, blaast de sterke wind hem bijna de lucht in. Snel spint hij een draad waarmee hij zich vastplakt aan het raamkozijn. Voorzichtig zakt hij langs de draad omlaag. Dat is best lastig want hij waait alle kanten op. Simon is bang dat de draad zal breken en doet zijn oogjes al dicht voor de vrije val.
‘Nou Simon, dat was het dan. Vaarwel wereld’, snikt hij dramatisch. Gelukkig blijft de draad hangen in de grote eikenboom die bij de voordeur staat. Als Simon zijn oogjes weer opendoet zit hij op een groot, bont eikenblad. Maar veel tijd om uit te rusten heeft hij niet, want de herfstwind blijft hem plagen. De takken van de eikenboom zwiepen heen en weer. Alle bladeren, ook het blad van Simon, worden losgerukt en dwarrelen als sneeuwvlokken naar beneden.
‘Au, mijn poten’, kreunt Simon. Hij is meters diep gevallen en ligt nu helemaal verkreukeld onder de eikenboom op een grote berg bladeren. Als ik maar niks gebroken heb, denkt hij. Even checken: één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven en acht. Gelukkig, ze zitten er nog allemaal aan.
‘Stofzuiger of geen stofzuiger, ik ga weer naar binnen’, mompelt hij in zichzelf. Buiten zijn, is niks voor een huisspin. Dat is zeker. In de verte ziet hij dat er licht door het kelderraam schijnt. Met een beetje geluk staat dat raam op een kiertje en kan hij daar naar binnen. Met zijn pijnlijke pootjes trippelt hij in de richting van het huis. Het is gelukkig niet zo ver, hij hoeft nog maar een klein stukje. Maar dan hoort hij een oorverdovend lawaai en een groot oranje monster met een lange zwarte slurf komt de hoek van het huis om. Het is een bladblazer, waarmee de vader van Loes de tuin schoonmaakt. Hij blaast de afgevallen bladeren bij elkaar en kiepert ze dan op de composthoop. Simon wordt meegeblazen en komt boven op de rotte planten en bladeren van de composthoop terecht. Tot overmaat van ramp begint het dan ook nog heel hard te regenen.
‘Spinnetje, heb je het koud?’
Een dikke regenworm piept boven de composthoop uit. Simon schrikt als hij het glibberige beest ziet.
‘Wees maar niet bang. Ik zal je niet opeten. Ha, ha, ik lust geen spinnen. Ik lust helemaal geen dieren. Bleh, ik moet er niet aan denken. Ik eet alleen maar rotte planten en aarde.’
Om te laten zien dat het waar is wat hij zegt slurpt de worm wat natte smurrie van de composthoop op.
‘Mmm, lekker! Neem ook een hapje.’
Simon kijkt de regenworm verdwaasd aan. Wat een raar beest met dat lange lijf en zonder poten.
‘Nee, dank je. Ik heb niet zo’n honger’, zegt hij zielig. ‘Ik heb het alleen maar koud, heel koud, brrrr.’
‘Kruip dan maar eens lekker diep in mijn composthoop’, grijnst de regenworm. ‘Daar is het heerlijk warm, geloof me maar.’
Simon loopt tussen de oude planten- en bladerresten door. Die rare worm had gelijk. Het is inderdaad heerlijk warm in de composthoop. Maar het stinkt er verschrikkelijk en het is er aardedonker.
‘Warm of niet warm, een composthoop is geen plek voor een huisspin’, zegt hij tegen zichzelf. Simon weet het zeker, hij wil zo snel mogelijk weer naar huis. Maar omdat het zo donker is, kan hij de uitgang van de composthoop niet vinden. Dan hoort hij gegiechel en zachte stemmetjes en een piepend stemmetje dat vraagt:
‘Wie is daar?’
‘Uh… nou, ik’, antwoordt Simon verlegen. Omdat er geen licht is, kan hij niet meteen zien waar het geluid vandaan komt. Als na een poosje zijn oogjes aan het donker gewend zijn, ziet hij dat hij in een klein holletje terecht is gekomen. In een hoek ligt een kleine veldmuis met vijf schattige roze jongen opgekruld om haar heen.
‘O sorry. Ik wilde u niet storen’, stottert Simon. ‘Maar ik had het koud en was nat. Toen zei een worm dat het hierbinnen warm zou zijn en toen was ik de weg kwijt en hoorde ik stemmen. En toen liep ik hier toevallig naar binnen en .…’
‘Geeft niks hoor’, piept moeder muis. ‘Ik vind het best gezellig om bezoek te krijgen. Mijn baby’s zijn nog maar klein en kunnen nog niet naar buiten. Dus zo af en toe visite breekt de sleur. Enne, je hoeft niet bang voor mij te zijn hoor. Ik zal je niet opeten, want ik ben een vegetarische veldmuis en eet alleen maar planten.’
‘Nou, dat vind ik fijn om te horen’, gniffelt Simon. ‘Ik heb wel mazzel vandaag, want ik kom alleen maar dieren tegen die mij niet lusten, ha, ha.’
‘Nou, daar zou ik toch maar niet teveel op rekenen’, fluistert moeder muis en ze wijst met haar kleine pootje. ’Aan de andere kant van de gang woont een egel en die is wel dol op spinnen. En dan niet om gezellig mee te kletsen, als je begrijpt wat ik bedoel.’
‘Bedankt voor de tip, ik zal voorzichtig zijn. Kunt u me dan misschien vertellen waar de uitgang van de composthoop is? Ik ben namelijk een huisspin en wil snel weer naar binnen.’
De veldmuis wijst Simon de snelste route naar buiten en Simon neemt afscheid. Als hij buiten komt is het al avond. De regen is gestopt en de maneschijn verlicht de tuin. Simon kruipt het hoge gras in en loopt richting huis. Tenminste, dat denkt hij. Maar alle grassprietjes lijken op elkaar en het grasveld is net een doolhof. Simon kruipt een paar keer boven in een grasspriet om te kijken of hij in de goede richting loopt. Dan ziet hij de grote eikenboom en weet hij dat hij bijna thuis is. Maar net op het moment dat Simon onder de boom loopt, laat de eik dikke eikels vallen. Plok, plok, links en rechts van hem ploffen de eikelbommen neer. Het zijn er wel honderd en Simon wordt bijna geplet. Als een circusartiest slalomt Simon tussen de eikelregen door en wonder boven wonder komt hij heelhuids bij het huis aan. Hij klimt door het kelderraam naar binnen.
Als Simon eindelijk weer boven komt, ligt Loes al in bed. Ze leest een boek, maar kan zich niet concentreren. Haar ogen dwalen steeds door haar lege kamertje. Het is gewoon te schoon, denkt ze sip. Loes voelt zich helemaal niet meer thuis in haar eigen slaapkamer. Dan ziet ze vanuit een ooghoek Simon over de muur lopen. Simon voelt dat Loes naar haar kijkt en wil snel wegrennen. Maar Loes glimlacht en zegt:
‘He hallo, spinnetje. Ben je er weer? Gelukkig maar, want dan kun je weer een mooi groot web spinnen in mijn kamertje. Doe je dat voor mij, klein spinnetje? Maak je een groot en stoffig spinnenweb voor mijn griezelfeestje? Ik beloof dat ik je dan nooit meer zal wegjagen. Deal?!’
Simon verstaat geen mensentaal, maar toch begrijpt hij wat Loes bedoelt. Hij moet nu eerst uitrusten van zijn avontuur, maar voordat de zon morgen opkomt begint hij met het spinnen van een nieuw web. En daar gaat hij nooit meer weg. Simon de huisspin hoort in huis en niet buiten, dat weet hij heel zeker!
© Marijke Vaes,2011