Op deze pagina vindt u een verhaal geschreven door Marijke Vaes. Verder vindt u op deze site informatie over welke verhalen Nico de Verhalenman vertelt en over Stichting Verhalenboot.  

Spannend verhaal in het donker. 

Vroeger, zo’n honderd jaar geleden was het hier in de Peel nog écht donker. Elektrisch licht was er niet of nauwelijks. Alleen hele rijke mensen hadden stroom. Bij de boeren en mensen uit de het dorp werd er in de winter, als het vroeg donker was, een olielamp of kaars aangestoken. Maar lampolie en kaarsen waren duur en om geld te besparen ging men vaak vroeg naar bed.  

Soms werd er voor het slapen gaan een verhaal verteld. Vaak door opa of oma, want die woonden in die tijd vaak bij hun kinderen en kleinkinderen in huis. De hele familie zat dan gezellig rondom de tafel waarop één kaars of olielamp brandde. Voor de rest was het pikkedonker in het kamertje. Het kaarslicht toverde grillige schaduwen op de muren. Als het verhaal heel spannend werd leken die schaduwen soms op spoken of geesten. Brrrr… 

Het verhaal dat ik je nu ga vertellen is ook heel spannend. Het is zelfs zo spannend dat ik het bijna niet durf te vertellen. Niet alleen omdat het verhaal zelf zo spannend is, maar omdat het nog nooit iemand gelukt is om het verhaal helemaal - tot aan het einde toe -  te vertellen. Elke keer als iemand het probeert gebeurt er iets vervelends. Een boom die op het huis valt of de bliksem die inslaat. Soms raakt de  verteller net voor het einde zijn stem kwijt of valt hij flauw en van zijn stoel af. 

Gelukkig is het verhaal opgeschreven, want anders zou het verloren zijn gegaan. Ik wil  vanavond toch een keer proberen om dit bloedstollende verhaal aan jullie te vertellen. Wel spannend hè? 

Het was nacht. Diepdonkere nacht. De regen striemde en er waaide een ijskoude wind over het vlakke land van de Peel. De donkere wolken hielden de maan en de sterren gevangen. Heel af en toe piepte er een klein streepje zilverwit licht tussen de zware wolken door. Als dat gebeurde zag je twee duistere figuren door de Peel lopen. Krom voorover gebogen trotseerden ze weer, wind en duisternis. Maar wie waren die donkere schimmen? Iemand met iets goeds in zin ging met dit weer en in het donker het gevaarlijke Peelmoeras niet in. Toen begonnen de schimmen te spreken… 

“Hier! Hier is het Manus. Ik weet het zeker. Op deze plek hebben we onze sch…”.

Maar voor Gerrit zijn zin kon afmaken porde Manus hem keihard in zijn buik.

“Ssstttt….. hou je stil! Misschien luistert er iemand mee en dan vallen onze snode plannen in het water”.  

Manus fluisterde heel hard. Zo hard dat het spuug uit zijn mond spoot.

“Au! Ben je belazerd!”, schreeuwde Gerrit en hij wreef over zijn pijnlijke buik.
“Welke zot zou ’s avonds en met dit weer de Peel ingaan? En bovendien, niemand weet toch dat wij onze gestolen schatten hier in de Peel begraven hebben”.

“Hou je nou stil man!” siste Manus en ruw trok hij de schop uit Gerrit zijn handen.

“Geef die schop maar aan mij. Dan graaf ik je-weet-wel op”. 

Gerrit keek Manus woedend aan. Wat een vreselijke betweter en zeurpiet was die Manus. Gerrit was zo boos dat hij Manus met een vlakke hand tegen zijn hoofd sloeg. Diens grijze pet viel daardoor op de grond en in het zwarte slijk. Manus die geen regen op zijn kale kop kon verdragen graaide met zijn handen in de zwarte modder. Maar omdat het zo donker was kon Manus de pet nergens meer vinden. Razend als een dolle stier stormde Manus op Gerrit af terwijl hij gilde:

“Ik zal je krijgen ….”.

Gerrit, die geen zin had in een knokpartij met de sterke Manus, dook snel opzij. Dat had hij beter niet kunnen doen. Manus had namelijk zo’n vaart dat hij niet meer kon stoppen. Hij duikelde recht voorover het moeras in. Gelukkig kon hij zich nog vastgrijpen aan een uitstekende tak.

“Help, help me dan toch”, schreeuwde de arme Manus. Hij stak de ene nog vrije arm wanhopig uit naar Gerrit. Maar Gerrit stond verstijfd van de schok aan de kant. Hij keek afwisselend naar Manus in het moeras en naar de schop die naast hem stond. Een gruwelijke gedachte kwam bij hem op. Als Manus zou verdrinken was de schat helemaal voor hem alleen. Bovendien was hij dan verlost van dat eeuwige gezeur van Manus. Terwijl Gerrit stond te twijfelen verdween Manus krijsend en vloekend in de donkere diepte. Toen het moeras zich boven de kale kop van Manus sloot kwam Gerrit langzaam bij zijn positieven.

“O help, wat heb ik gedaan“, snikte Gerrit, maar hij herpakte zich snel en dacht weer aan de schat. Hij nam de schop en begon driftig te graven.  

De regen was gestopt en de lucht werd weer helder. De volle maan had zich bevrijd van de wolken en scheen zijn zilverwitte licht over de kale Peelvlakte. Gerrit had de zak met kostbaarheden gevonden en bond die snel en stevig op zijn rug. Hij wilde zo snel mogelijk weg van deze onheilspellende plek. Maar dat viel nog niet mee. Hoe hard hij ook rende, hij kwam bijna niet vooruit. Het leek wel alsof zijn rugzak honderd kilo woog en zijn benen voelden als slappe was. Strompelend struinde hij over het modderige pad. Tot overmaat van ramp struikelde hij en viel languit in het modderige slijk. Het slijk plakte als lijm aan zijn benen en armen, en toen hij probeerde op te staan kon hij zich niet bewegen. Angstig keek hij om zich heen want hij zag dat de Peel begon te veranderen. De lucht werd rood als bloed en het moeras pruttelde en stoomde als een vat kokende zwarte olie. Daarbij stegen er stinkende en stomende nevelslierten uit het moeras op. De stank was zo afschuwelijk dat Gerrit nauwelijks nog kon ademhalen. Toen hij omhoog keek zag hij dat de berken langs het pad veranderd waren in grote zwarte monsters. De donkere takken priemden dreigend in de lucht. Duizenden vogels vlogen krijsend en kraaiend vlak over Gerrit zijn hoofd. Maar het ergste moest nog komen. Overal kwamen lange, magere armen met spitse vingers en lange puntige nagels uit het kolkende moeras omhoog. Dreigend kwamen ze dichterbij. Het zou niet lang meer duren of de lange vingers zouden hem vastgrijpen en mee de diepte in sleuren. Gerrit probeerde met alle kracht om op te staan en weg te rennen, maar de zuigende modder liet hem niet los.  

Toen klonk er opeens een ijzingwekkende stem vanuit het moeras:

“Moordenaar, dief! Als ik de schat niet krijg kom ik je halen en sleur ik je mee de diepte in”.

Was dat de stem van Manus of van Gerits slechte geweten? We zullen het waarschijnlijk nooit weten. Gerrit wist wel wat hem te doen stond. Hij pakte de zak met de schat van zijn rug en smeet hem met zo ver mogelijk het moeras in. Daarna was alles weer normaal. De lucht werd donkerblauw en nog maar een paar vogels zweefden door de lucht. De berken werden weer bomen en het moeras was weer bruin en troebel. Aan de horizon zag hij al een klein stukje van de opgaande zon. Het zou een prachtige winterdag worden. Gerrit was zo blij dat hij dit avontuur had overleefd dat hij zich plechtig voornam om zijn leven te beteren. Voortaan zou hij nooit meer stelen en zijn brood eerlijk verdienen. Voor zijn vriend zou hij tien missen bij de pastoor bestellen. Hopelijk zouden Manus’ zonden daarmee ook zijn vergeven en zou ook hij dan nog een plekje krijgen in de hemel. Maar één ding nam hij zich ook voor; voorlopig zou hij met een hele grote boog om die vreselijke Peel heen lopen. Hij ging liever een ‘mijl op seeven’ dan het risico lopen dat hij ooit nog zo’n vreselijk Peelavontuur zou beleven.

 

Einde 

 

 

© Nacht van de Nacht 2011/Marijke Vaes