De Zomerkoning

 

De Zomerkoning is het wachten moe. In de gouden toren van zijn kristallen paleis telt hij de dagen af tot het weer zomer wordt. Dan mag hij eindelijk weer regeren en de aarde verwarmen met zijn gouden zonnestralen. Bijna negen maanden geleden nam hij afscheid en maakte plaats voor de onstuimige Koning van het najaar. Lijdzaam moest hij toezien hoe de bomen, die hij de hele zomer met zijn warmte gekoesterd had, verkleurden. Het groene blad werd geel, oranje en rood. Warme kleuren, maar schijn bedriegt. Het blad was verzwakt en toen de ruige herfstwinden begonnen te waaien werden ze van de bomen, hun levensader, gerukt. Moegestreden viel ook het laatste blad op de dampende grond waar het vies en nat verrotte tot bladerpap. De dieren gingen op zoek naar een voorraad voedsel voor de barre wintertijd die weldra zou komen. Daarna werd het stil in het bos. Dieren kropen diep in hun hol of gingen op de vlucht naar het warmere Zuiden. 

En na de Herfst kwam de Wintervorst, die koude kille koning uit het Noorden. Zijn winterwind bevroor je adem en kristalliseerde de regen tot sneeuw en het wat water was werd ijs. De dagen werden kort en de nachten lang. En de Zomerkoning werd steeds droeviger. Zijn zonnige hart huilde en hij stierf bijna van verdriet en eenzaamheid. Gelukkig verscheen, net op het moment dat bijna alle hoop verdwenen was, de Lentekoningin. Je kont het ruiken in de lucht. De verrukkelijke zoete geuren van het maarts viooltje, de lelietjes van dalen en alle andere lentebloemen verrukten mens en dier. Vogels keerden van verre terug om hun nest te bouwen en overal was nieuw leven. Het begin van de zomer was in zicht. 

Nu is de langste dag van het jaar in aantocht en de zomer gloort aan de horizon. Maar de laatste loodjes wegen het zwaarst, net als vorig jaar en het jaar daarvoor en het jaar daarvoor…

‘Waarom steeds die wisseling van seizoenen, wat heeft dat toch voor nut?’ vraagt de Koning zich af. Waarom afbreken en daarna weer opbouwen. Vergaan en vergankelijkheid, sterven en dood en dan telkens kostbare energie verspillen om opnieuw te ontstaan en geboren te worden. De Koning is er van overtuigd dat elk levend wezen gelukkiger zou zijn wanneer het altijd Zomer was. Die gedachte laat hem niet los en drijft hem tot waanzin. Er zit niks anders op, hij moet de strijd met de andere seizoenen aangaan zodat hij, de Zomerkoning, de alleenheerser van de wereld wordt. Hij mijmert en piekert, wikt en weegt en na een paar dagen heeft hij zijn strategie, zijn strijdplan klaar. Eerst moet hij op zoek naar soldaten, strijders voor het licht die zorgen dat de zon nooit meer ondergaat en die voor hem vechten tot de laatste druppel regen en het laatste sneeuwvlokje gevallen is. 

De Koning verbergt zijn lange, gouden lokken onder een bruine hoed, verruilt zijn goudgele fluwelen mantel voor een oude jas en gaat op pad. 

De Zomerkoning zwerft vele uren langs veldwegen en over glooiende heuvels waar schapen en koeien zich tegoed doen aan het malse, jonge gras. Wanneer hij een groepje jongeren ziet dat, al vliegerend over de velden rent verzamelt hij al zijn moed. Hij spreekt een jonge krullenbol aan en zegt:

‘Wat een heerlijke dag om samen buiten te spelen. Jij zult vast wel blij zijn dat het bijna zomer is zodat álle dagen lang en zonnig zullen zijn’.

‘Jazeker’, zegt de knul. De zomer brengt zon en lange dagen. Bovendien heb ik dan lekker lang vakantie en hoef ik niet naar school’.

De Koning glimlacht en denkt: ‘zie je wel, deze jongen zou ook willen dat het altijd zomer was. Hij en zijn vrienden zullen de eerste strijders in mijn leger zijn’.

‘Maar,’ vervolgt de knaap, ‘als het zomer wordt moet ik ook meehelpen op de boerderij. Koeien melken, eieren rapen, het hek schilderen. O ja, en aan het eind van de zomer wordt het graan geoogst. Als ik vrij heb van school zijn mijn ouders natuurlijk blij met zo’n extra paar handen. Er blijft dan weinig tijd over om te vliegeren en ander vertier. Nee, geef mij maar de Lente, dan is het leven echt een feest. Mijn vrienden en ik vlechten dan bloemenkransen en versieren daarmee de mooiste meisjes uit de stad. We dansen de hele avond en nacht en gaan pas naar huis als de haan weer kraait. Zeker,  de zomer is een heerlijke tijd, maar het lenteseizoen is mijn favoriet. 

Ach, zo’n onnozele jongen, denkt de Zomerkoning, die weet niet wat er in de wereld te koop is. Hij is nog te jong en te speels voor een serieuze strijd. Ik moet niet opgeven en verder zoeken totdat ik goede strijders vinden zal. 

Een paar mijlen verder komt de Stadswal in zicht. De kikkers in de gracht, die om de stad slingert, zingen een vrolijk welkomstlied en geven de Koning weer goede moed. Bij de toegangspoort zit de stadswacht te knikkenbollen op het ritme van het kikkerlied. Wanneer de Koning nadert schrikt de oude man wakker.

‘Goedemiddag beste stadswacht. Heeft de slaap u eindelijk verlaten? Dan kunt u nu gaan genieten van deze stralende dag. Gelukkig is het bijna zomer en dan zijn alle dagen zonnig en lang’.  

‘Jazeker,’ antwoordt de oude man, ‘die zalige zomerzon verwarmt mijn oude botten en koestert mijn stijve en stramme lijf. Maar als je het mij vraagt duren die zomerdagen veel te lang en door die lange dagen kom ik slaap tekort, zoals u ziet. Zeker als die vervelende muggen om mijn hoofd en boven het water van de stadsgracht dansen kan ik de slaap maar moeilijk vatten. Ze prikken me helemaal lek en de jeuk maakt me gek. Nee, geef mij dan maar de winter. Winterkou brengt gezelligheid.  Jong en oud komt dan naar de stadsgracht om te schaatsen op het ijs en te spelen in de sneeuw. Mijn nicht Gertrude van de Herberg verkoopt warme spijzen en dranken en boven de vuurkorf worden alle verkleumde vingers en koude oren weer heerlijk warm. Het is zoals u zegt, zomer is een heerlijke tijd, maar de Winter is mijn favoriet. 

Ach, zo’n oude man, denkt de Koning, die zit hier de hele dag op dezelfde plek en weet niet wat er in de wereld te koop is. En met zijn oude botten is hij sowieso niet geschikt voor de strijd. Ik moet gewoon verder zoeken en dan weet ik zeker dat ik goede strijders vinden zal. 

Het is druk in de smalle straten van het kleine stadje. De weekmarkt brengt veel volk op de been en de Koning klampt iedereen aan die hij tegen komt. Maar helaas, niemand is geschikt om als strijder in zijn leger dienen en bereid om de strijd met de andere seizoenen aan te gaan. Teleurgesteld en doodmoe van zijn omzwervingen gaat hij op zoek naar een slaapplek voor de nacht. Morgen is weer een dag en misschien dat hij dan meer geluk heeft … 

Op het marktplein, onder de schaduw van de kerktoren, ligt Herberg ‘De Morgenstond’. De Zomerkoning is blij dat hij eindelijk een overnachtingsplek gevonden heeft. Gertrude, de vrouw van de herbergier, staat bij de deur en ze begroet de vreemdeling met een stralende lach.

‘U heeft geluk mijnheer, er is nog één kamer vrij. Het is bijna hoogseizoen en in zomermaanden zit onze herberg vol met handelaren en andere zomergasten.’

‘Dan is de zomer voor u vast en zeker het beste seizoen, waarin u goede zaken doet. Of niet?’ vraagt de Koning hoopvol. Hij denkt: Ha, misschien dat ik in deze vrouw toch nog een medestrijder vind.

‘Jazeker,’ zegt Gertrude, ‘in de zomer lopen de zaken voorspoedig en onze boterham is dan goed belegd. Maar, al dat vreemde volk brengt ook veel onrust en ellende. Zo ver van huis en haard zijn mensen vaak uitgelaten en dronken en ze storen zich dan niet aan de regels en wetten van onze stad. Daarom ben ik elk jaar weer blij als de Herfst zijn intrede doet en de rust in de stad wederkeert. Bovendien kan ik in de herfst de heerlijkste gerechten voor mijn gasten klaarmaken. Niks heerlijkers dan de hele middag te roeren in een geurend stoofgerecht. In het bos ga ik op zoek naar paddenstoelen en kastanjes, terwijl mijn man en zoon zich uitleven tijdens de jacht. Mmmm, ik kan de heerlijke wildragout al bijna ruiken. Natuurlijk, zomer is een goede tijd voor de beurs, maar de herfst is toch mijn favoriete seizoen.   

De Koning gaat naar zijn kamer, maar al is hij vreselijk moe en zijn bed heerlijke zacht, hij kan de slaap toch niet vatten. Peinzend staart hij door het raam naar buiten, waar de stralende sterren en de volle maan in de nachtblauwe hemel staan. Zijn missie loopt heel anders dan hij zich had voorgesteld. Hoe kan het toch dat niemand voor zijn zalige zomer kiest? Hoe kan het toch dat zoveel mensen de voorkeur geven aan die lauwe lente, de onstuimige herfst of zelfs aan die koude, gure winter? Moe van al dat gepieker valt hij uiteindelijk toch in een diepe slaap …. 

De haan kraait en roept de stedelingen terug uit dromenland. Ook de Koning wordt wakker en hiermee ontwaken ook weer zijn zorgen. Ach en wee, wat moet hij toch beginnen? Als hij geen steun krijgt van de mensen kan hij zijn strijd wel vergeten. Dan is alle hoop op een eeuwigdurend zomerrijk en een zalige zomer zonder einde vervlogen.

Dan vliegt er ineens een roodborstje op zijn vensterbank. Het vogeltje koestert zich in de eerste zonnestralen en zingt een mooi lied om de dag te begroeten zo lijkt het. Dan kijkt het de Koning met zijn kleine kraaloogjes nieuwsgierig aan.

‘Natuurlijk!’ roept de Koning. ‘Ik moet de dieren vragen. Er zijn veel meer dieren dan mensen en die wonen allemaal buiten in de natuur. Dieren zijn daarom het meest gebaat bij zonnig en warm weer en ze zullen zijn plannen zeker steunen.’

‘Goedemorgen mevrouw Roodborst,’ zegt hij met zijn zoetgevooisde stem. ‘Wat aardig dat u zo’n vrolijk lied voor mij zingt. U bent natuurlijk ook blij dat de zomer in aantocht is. Het zonnigste seizoen moet voor een vogel toch zeker wel de mooiste tijd van het jaar zijn. Of niet?’

Het roodborstje kijkt de man met de gouden lokken en de hemelsblauwe ogen aan. Het is een slim vogeltje en hij ziet meteen wie hij voor zich heeft. Hij laat zich door de Zomerkoning niet misleiden.

‘Natuurlijk ben ik blij als het Zomer wordt,’ tjirpt hij vrolijk. ‘Dan zijn er lekker veel vliegjes en andere insecten om op te peuzelen. Ik eet dan mijn buikje rond en hoef mijn voedsel niet te delen met de andere vogels in het bos. De zomertijd is een verrukkelijke tijd, dat is zeker. Maar toch zou ik de winter ook niet willen missen. Dan zijn we op vakantie in het Zuiden en daar ontmoeten we elk jaar opnieuw al onze vrienden. En wat dacht u van de zalige lente. In mei legt elke vogel een ei … nou, ik leg er soms wel zeven en laat me dan heerlijk door mijn man verwennen wanneer ik op mijn nestje zit. En dan is er nog de Herfst en gaan we ons al lekker voorbereiden op de wintervakantie. Heerlijk nog wat verse besjes meepikken en dan, Hasta la vista, naar de Spaanse kust’. 

De Koning heeft genoeg gehoord en kan geen teleurstelling meer verdragen. Niemand op de hele wereld wil dat zijn zalige zomer het hele jaar lang duurt. Mens en dier zijn gewend, ja zelfs gehecht aan de wisseling van de seizoenen. Ze hebben hun leven aangepast aan de straffe winterkou, de frisheid van de lente, de zalige zomerzon en de onstuimige herfstregens. En … waarschijnlijk is dat ook maar goed zo. De afgelopen dagen hebben hem vreselijk vermoeid en hij moet er niet aan denken dat hij driehonderdvijfenzestig dagen per jaar zou moeten regeren. Eerlijk is eerlijk, de herfst komt elk jaar best gelegen en is hij dan elke keer stiekem weer blij dat hij een poos op zijn lauweren kan rusten. De Zomerkoning heeft zijn lesje geleerd. Hij zet zijn hoed op, trekt zijn jas aan en gaat naar huis om geduldig te wachten tot het zomer wordt.

 

Marijke Vaes © 2011